door VDG accountants | 10-22-2026 | Inkomstenbelasting
Een vrouw geeft in haar aangifte een aanzienlijk bedrag aan bezittingen aan, waaronder hypothecaire geldleningen aan haar kinderen. De inspecteur merkt deze aan als overige bezittingen, wat leidt tot een geschil over de juiste kwalificatie.
Bezittingen en de aanslag
De vrouw geeft voor 2021 een totaal van € 1,5 miljoen aan bezittingen op. Dit omvat onder meer twee hypothecaire geldleningen aan haar kinderen met een rente van 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de definitieve aanslag vast, waarbij de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt met een rendement van 5,69%. De vrouw stelt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden gezien, omdat zij kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, de zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, het niet aanwezig zijn van een winststreven en de regelmatige rente-inkomsten. Voor banktegoeden geldt in 2021 een rendement van 0,01%.
Geen deposito
Het hof oordeelt echter dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een 'deposito' volgens de Wet op het financieel toezicht, waarnaar de Wet rechtsherstel box 3 verwijst. Een vergelijking met VvE-reservefondsen, die voor 2021 ook als overige bezittingen golden, gaat niet op. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden.
Werkelijk rendement onbekend
Nu de vorderingen niet als banktegoed worden aangemerkt, betoogt de vrouw dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De heffing zou hoger zijn dan het werkelijke rendement. Het hof oordeelt dat de vrouw dit niet aannemelijk maakt, omdat zij geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daarom faalt ook dit standpunt.
Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:5874 | 07-09-2026
door VDG accountants | 10-15-2026 | Inkomstenbelasting
Een man ontvangt uitkeringen uit meerdere lijfrenteverzekeringen. De inspecteur belast deze bedragen in box 1, wat leidt tot een geschil over de juiste fiscale behandeling. De man had een 'Hoogrentende Spaarpot Polis' en twee andere verzekeringen met een lijfrenteclausule. In 2019 ontvangt hij uitkeringen van € 49.119, € 21.968 en € 7.025. De inspecteur neemt deze bedragen op in box 1 van de inkomstenbelasting. De man is van mening dat de uitkeringen in box 3 belast moeten worden, omdat het beleggingsproducten betreft. Ook wil hij dat de saldomethode wordt toegepast, waardoor alleen het deel boven de betaalde premies wordt belast.
Box 1 en saldomethode
Het hof oordeelt dat de verzekeringen terecht in box 1 zijn belast. De 'Hoogrentende Spaarpot Polis' is een kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule die onder het 'pre-Brede Herwaarderingsregime' valt. Volgens de wetgeving van vóór 2001, die nog steeds van toepassing is op deze oudere polis, wordt een afkoop van zo'n verzekering in box 1 belast. De man heeft de lijfrentetermijnen niet tijdig vastgesteld of omgezet in een kwalificerende lijfrente, waardoor de afkoopsom in box 1 valt. De twee andere verzekeringen zijn ook met een lijfrenteclausule afgesloten.
Omkeerregel
De heffing in box 1 over de uitkeringen is niet slechts een belastingnadeel. Het is een gevolg van de omkeerregel en het vormt een onderdeel van een heffingssysteem dat door de aanwezigheid van een daartegenoverstaand belastingvoordeel een zeker evenwicht vertoont. Dat voordeel bestaat in elk geval uit de belastingaftrek van de in eerdere jaren betaalde premies. Daar komt bij dat de waarde van de verzekeringen voorafgaand aan de afkoop niet tot belastingheffing in box 3 heeft geleid.
Saldomethode
De saldomethode houdt in dat alleen het deel van de uitkeringen, dat hoger is dan de betaalde premies, wordt belast. Deze methode kan echter niet worden toegepast als de premies in aftrek zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht. Voor de 'Hoogrentende Spaarpot Polis' toont de man niet aan dat hij de premies niet in aftrek heeft gebracht. Gezien het karakter van de verzekering is het waarschijnlijk dat dit wel is gebeurd. Voor de andere twee verzekeringen bevestigt de man zelf dat hij de premies in aftrek heeft gebracht.
Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:2438 | 24-08-2026
door VDG accountants | 10-08-2026 | Inkomstenbelasting
Een dga is indirect enig aandeelhouder van een bv die tot 2014 een tankstation en wasstraat exploiteert op zijn privéperceel. Daarna ligt die locatie stil door een conflict met de gemeente. Vanaf augustus 2015 verrijst bij zijn woning een loods zonder vergunning. De facturen voor beton, kozijnen, platen en bouwwerkzaamheden komen in de boekhouding van de bv terecht, geactiveerd op de balans. Tijdens een bedrijfsbezoek in juni 2019 vertelt de dga dat hij de loods ook privé gebruikt. Dat gesprek leidt tot een boekenonderzoek.
Twee verhalen
In beroep vertelt de dga iets anders. De loods is volgens hem alleen bedoeld om een nieuwe wasstraat voor de bv voor te bereiden. De loods is demontabel en kan naar de oude locatie worden verhuisd, zodra de gemeente meewerkt. Het hof gelooft de eerste verklaring, want de twee zijn niet met elkaar te rijmen. De loods dient alleen voor eigen gebruik. Een zakelijke grondslag ontbreekt. Beide partijen zijn zich van de bevoordeling bewust en de bv heeft voldoende reserves. Het hof ziet zelfs een patroon waarin de dga de bv voor persoonlijke doeleinden inzet.
Het hele bedrag
Volgens de dga gaan alleen de facturen van € 17.000 en € 8.000 over de loods. Het hof volgt dat niet. Alle facturen dateren uit dezelfde periode en foto's tonen dat er destijds geen ander bouwwerk was. De dga bespaart kosten die hij had moeten dragen, inclusief btw. Het voordeel is dus het volledige bedrag. Verrekening met de rekening-courant faalt, omdat de kosten op de balans staan.
Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:2577 | 29-06-2026
door VDG accountants | 10-08-2026 | Inkomstenbelasting
Een belastingplichtige en zijn echtgenote gaan in 1992 uit elkaar. Hij betaalt zijn ex in 2020 en 2021 elk jaar € 4.078 uit zijn ouderdomspensioen. Die betalingen zijn aftrekbaar, maar door de tariefmaatregel niet tegen het hoogste tarief. Wie vanaf 1 mei 1995 scheidt van zijn echtgenoot heeft daar in de regel geen last van, want dan betaalt het pensioenfonds rechtstreeks aan de ex-echtgenoot. Het hof ziet in dat verschil discriminatie en schrapt de extra heffing. De Hoge Raad oordeelt dat het om ongelijke gevallen gaat, zodat de hogere heffing blijft staan.
Verrekenen onder Boon/Van Loon
De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is op 1 mei 1995 in werking getreden en geldt door het overgangsrecht niet voor eerdere scheidingen. Daarvoor gelden de regels uit het arrest Boon/Van Loon uit 1981. De belastingplichtige ontvangt het volledige pensioen zelf en verrekent een afgesproken deel met zijn ex-echtgenote. De inspecteur staat op die betalingen de aftrek voor onderhoudsverplichtingen toe. Tegelijk past hij de tariefmaatregel toe, waardoor het voordeel beperkt blijft tot het tarief van de tweede schijf.
Hof grijpt in
Onder de hoofdregel van de Wet VPS heeft de ex-echtgenoot een eigen recht op uitbetaling tegenover het pensioenfonds. Er is dan geen aftrekpost en dus ook geen tariefmaatregel. Het hof ziet daarin strijd met het discriminatieverbod. Beide regimes verdelen pensioenrechten tussen scheidende echtgenoten en berusten op de verzorgingsgedachte. Een rechtvaardiging voor het verschil ziet het hof niet. Het hof laat de tariefmaatregel buiten toepassing, waarna de staatssecretaris in cassatie gaat.
Geen gelijke gevallen
De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of gevallen gelijk zijn. Beslissend is het doel van de tariefmaatregel en dat richt zich op aftrekposten. Onder de Wet VPS heeft de pensioengerechtigde voor het verevende deel geen aftrekpost. Dat deel hoort niet tot zijn belastbare inkomen. Ook vanuit het stelsel van de wet zijn de gevallen dus niet gelijk.
Verzorging telt niet
Dat beide regimes de verzorging van de ex-echtgenoot vooropstellen, verandert dat niet. Het gaat hier om de aftrek bij degene die doorbetaalt, niet om de fiscale positie van de ontvanger. Ten overvloede oordeelt de Hoge Raad dat hetzelfde ook geldt voor wie na 1 mei 1995 gescheiden is, maar bij uitzondering niet verevent. De uitspraak van de rechtbank blijft staan.
Bron:Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1488 | 17-09-2026
door VDG accountants | 09-10-2026 | Inkomstenbelasting
Ziektewetuitkeringen worden alleen als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt als deze worden genoten tijdens een bestaande dienstbetrekking. Als de dienstbetrekking is beëindigd, vormen de uitkeringen geen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dat geval bestaat er geen recht op arbeidskorting.
Uitzendovereenkomst
Op 25 november 2021 sluit een man een uitzendovereenkomst (fase A). Deze overeenkomst bevat een belangrijke bepaling: de dienstbetrekking eindigt van rechtswege bij ziekmelding. In 2022 meldt de man zich ziek in week 7 en opnieuw van week 14 tot en met 52. Voor deze periodes ontvangt hij een ziektewetuitkering. In zijn aangifte 2022 geeft de man € 26.962 aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en claimt hij een arbeidskorting van € 4.008. De inspecteur stelt de arbeidskorting vast op € 915.
Arbeidskorting
De rechtbank oordeelt dat de ziekmelding de dienstbetrekking heeft beëindigd. De ziektewetuitkering die de man in week 7 van 2022 heeft ontvangen, kan daarom niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Er bestaat over dit bedrag geen recht op arbeidskorting. Wanneer de man vanaf week 8 weer arbeid verricht, is er sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Dit volgt uit de contractuele bepaling dat partijen een nieuwe overeenkomst moeten sluiten als de eerdere dienstbetrekking wegens ziekte is beëindigd. Deze nieuwe dienstbetrekking eindigt vervolgens van rechtswege met de tweede ziekmelding van de man. Hierdoor kunnen ook de ziektewetuitkeringen die de man heeft ontvangen in de weken 14 tot en met 52 van 2022 niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Ook over deze bedragen bestaat dus geen recht op arbeidskorting.
Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:6778 | 01-09-2026
door VDG accountants | 09-03-2026 | Inkomstenbelasting
In 2019 laat een directeur-grootaandeelhouder zijn werkmaatschappij € 116.324 uit de agioreserve op zijn privérekening storten. De inspecteur ziet daarin een verkapte uitdeling door de tussenliggende holding en legt een navorderingsaanslag op naar een verzamelinkomen van € 198.153. De aandeelhouder stelt dat hij een onbelaste terugbetaling van kapitaal bedoelt en laat de besluitvorming in 2023 alsnog repareren. Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden vóór de uitkering vervuld moeten zijn. De navordering blijft in stand.
Geld uit de agioreserve
De aandeelhouder bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt alle aandelen in de werkmaatschappij houdt. Op 14 oktober 2019 besluit de aandeelhoudersvergadering van de holding tot een uitkering uit de agioreserve van de werkmaatschappij. Diezelfde dag doet de werkmaatschappij aangifte dividendbelasting en kruist aan dat inhouding achterwege kan blijven. Het bedrag gaat rechtstreeks naar de privérekening van de aandeelhouder. Hij vermeldt het niet in zijn aangifte over 2019, maar geeft het in mei 2022 alsnog aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, waarna de inspecteur navordert.
Reparatie in 2023
In bezwaar noemt de aandeelhouder het een terugbetaling van kapitaal. In juni 2023 volgt een reeks herstelhandelingen. De werkmaatschappij zet de agioreserve om in nominaal aandelenkapitaal, vermindert dat kapitaal weer en draagt haar vordering op de aandeelhouder over aan de holding. De holding verrekent die vordering met een dividenduitkering. In augustus 2023 maakt de aandeelhouder € 116.324 over naar de werkmaatschappij en daarmee acht hij de uitdeling teruggedraaid. Hij beroept zich bovendien op dwaling.
Wanneer is het een uitdeling?
Een regulier voordeel ontstaat zodra vermogen naar de aandeelhouder verschuift met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen, terwijl beide partijen zich daarvan bewust zijn of hadden moeten zijn. De aandeelhouder zit de vergadering zelf voor, notuleert die en ondertekent de aangifte dividendbelasting. Bovendien geeft hij het bedrag in 2022 zelf aan.
Verkeerd jaar, verkeerd niveau
De wet IB verlangt voor een onbelaste terugbetaling dat de algemene vergadering daartoe besluit en dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met hetzelfde bedrag daalt, beide vóór de uitkering. In 2019 gebeurt geen van beide. Wat in 2023 alsnog gebeurt, valt in het verkeerde jaar en op het verkeerde niveau: bij de werkmaatschappij in plaats van de uitkerende holding. Ook het beroep op dwaling helpt niet. De terugwerkende kracht van een vernietiging geldt fiscaal niet.
Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:2169 | 29-06-2026
door VDG accountants | 08-27-2026 | Inkomstenbelasting
Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344.
Aangifte blijft uit
De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920).
Twintig of zeven procent?
De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen.
Maximum van 2014 telt
Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel.
Bron:Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1341 | 06-08-2026
door VDG accountants | 08-27-2026 | Inkomstenbelasting
Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming.
Verlies van twee ton
In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000.
Sinds 2015 een vakje
De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde.
Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7358 | 06-08-2026
door VDG accountants | 08-20-2026 | Inkomstenbelasting
Een man en vrouw hebben in 2023 uitsluitend bank- en spaartegoeden van in totaal € 229.802. Op deze tegoeden ontvangen zij gedurende het jaar € 1.575 aan rente. De Belastingdienst stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) vast op € 1.065. De man vindt dat dit bedrag lager moet uitvallen en beroept zich daarbij op het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad.
Heffingsvrij vermogen
De man stelt dat bij de berekening van het werkelijke rendement rekening moet worden gehouden met het heffingsvrij vermogen. Volgens zijn berekening mag daarom slechts een deel van de ontvangen rente worden meegenomen. Hij komt uit op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 793 in plaats van € 1.065.
Forfaitair rendement
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Volgens de rechtbank maakt de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024 duidelijk dat bij de vaststelling van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan van het volledige behaalde rendement op het vermogen. Daarbij vindt geen vermindering plaats wegens het heffingsvrije vermogen. Dat betekent dat in deze zaak het volledige bedrag van € 1.575 aan ontvangen rente geldt als werkelijk rendement. Omdat het forfaitaire rendement lager uitvalt dan het daadwerkelijk behaalde rendement, is geen sprake van een situatie waarin de belastingplichtige zwaarder wordt belast dan zijn werkelijke opbrengst.
Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7168 | 18-08-2026
door VDG accountants | 08-13-2026 | Inkomstenbelasting
Een belastingplichtige betoogt dat de box 3-heffing ongeldig is, omdat de wet geen expliciet genietingsmoment bevat. Hij betoogt dat zonder wettelijke bepaling die vastlegt wanneer het inkomen wordt genoten, het niet kan worden belast. De rechtbank verwerpt dit argument. Het genietingsmoment zit besloten in de peildatum van 1 januari. Een afzonderlijke bepaling is niet nodig.
Fors vermogen in onroerend goed
De man doet aangifte inkomstenbelasting 2021 met een box 3-inkomen van ruim dertigduizend euro. Zijn bezittingen bestaan voornamelijk uit onroerende zaken ter waarde van bijna 3,4 miljoen euro, aangevuld met bank- en spaartegoeden en een aandelenportefeuille. Na aftrek van schulden resteert een rendementsgrondslag van ruim negenhonderdduizend euro. De aanslag wordt conform de aangifte opgelegd. Toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 leidt niet tot een lager voordeel.
Ontbrekend genietingsmoment?
De man gaat in beroep met een opmerkelijk argument. Voor box 1-inkomen bepaalt de wet expliciet wanneer dat inkomen wordt genoten. Voor box 3 ontbreekt zo'n bepaling. De man betoogt dat zonder wettelijk vastgelegd genietingsmoment de heffingsgrondslag onduidelijk is en het inkomen niet kan worden belast. Hij beroept zich op het Europese eigendomsrecht, het EU-Handvest en diverse rechtsbeginselen zoals het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Peildatum is het genietingsmoment
De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Uit de wet volgt dat inkomstenbelasting wordt geheven over het in een kalenderjaar genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dat inkomen wordt forfaitair bepaald naar de grondslag per 1 januari van het kalenderjaar. De heffingsgrondslag is daarmee duidelijk. Een afzonderlijke bepaling voor het genietingsmoment is niet nodig. De rechtbank vindt steun in het Kerstarrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire stelsel ertoe strekt belasting te heffen over door de belastingplichtige genoten inkomen. De Hoge Raad achtte een afzonderlijk genietingsmoment niet vereist.
Handvest niet van toepassing
Het beroep op het EU-Handvest faalt eveneens, maar om een andere reden. De Wet IB 2001 beoogt geen Unierecht uit te voeren. Daardoor is het Handvest in deze zaak niet van toepassing en kan de man er geen beroep op doen.
Bron:Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:18709 | 01-07-2026
door VDG accountants | 08-06-2026 | Inkomstenbelasting
Een vrouw verkoopt haar woning. In hetzelfde jaar sluit zij een voorlopige koopovereenkomst voor een nieuwe woning. Deze wordt het jaar erna, in januari, geleverd. De vrouw maakt de koopsom in januari in drie delen over naar de derdengeldrekening van de notaris. In haar aangifte inkomstenbelasting geeft de vrouw bank-, giro- en spaartegoeden op. Later stelt zij dat zij ten onrechte geen box 3-schuld heeft opgenomen voor de aankoop van de nieuwe woning.
Box 3-schuld?
De rechtbank oordeelt dat de opbrengst van de woning tot de rendementsgrondslag in box 3 behoort. De rechtbank vindt dat de vrouw het geld op haar bankrekening niet mag verrekenen met een even grote schuld voor de aankoop van de nieuwe woning. Volgens de rechtbank ontstaat door de koopovereenkomst niet alleen een betalingsverplichting, maar ook een recht op levering van de woning. Deze twee onderdelen horen onlosmakelijk bij elkaar. De verplichting om de koopsom te betalen kan daarom niet afzonderlijk als schuld in box 3 worden aangemerkt.
Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5017 | 23-06-2026
door VDG accountants | 07-30-2026 | Inkomstenbelasting
De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van aangifte wordt deze termijn verlengd met het verleende uitstel. De inspecteur stelt dat hij een navorderingsaanslag voor 2011 tijdig heeft opgelegd, vanwege dertien maanden uitstel via de Becon-regeling. De inspecteur kan echter geen stukken tonen die dit uitstel onderbouwen. Een collega bevestigt bovendien dat het systeem geen Becon-uitstel voor 2011 registreert. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar uitstel is verleend. De navorderingsaanslag voor 2011 is daarom buiten de navorderingstermijn van vijf jaar opgelegd en wordt vernietigd.
Wel navordering over 2012 en 2013
Een man exploiteert in maatschapsverband een motortankschip. De man is de kapitein en de andere maat verzorgt de administratie. Het schip vervoert plantaardige oliën, waarbij 'slops' ontstaan met een waardevolle oliecomponent. In 2011 start een strafrechtelijk onderzoek, 'Flip' genaamd, naar de verduistering van plantaardige olie door schippers, aangeboden als slops aan een vethandel. De man is tot zijn overlijden verdachte in dit onderzoek.
Contante betalingen
De Belastingdienst onderzoekt de administratie van de vethandel en stelt vast dat de vethandel inkoopfacturen op naam van het schip opmaakt voor contante betalingen aan de schippers voor geleverde slops. De jaarrekeningen van de maatschap vermelden geen opbrengsten uit slops. De inspecteur stelt dat de man de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangiften. De man reageert dat hij geen administratie heeft, omdat de andere maat die voerde. De maat verklaart dat de man buiten het zicht van de maatschap om ontvangsten had en dat er geen inkomsten uit slops op de bankrekening van de maatschap zijn ontvangen.
Administratie
De erven van de man stellen dat hij de contante betalingen nooit heeft ontvangen en dat de administratie van de vethandel geen overtuigend bewijs levert. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man de contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van de vethandel overgelegd, waaronder inkoopfacturen, begeleidingsbrieven en weegbrugstempels, die met elkaar overeenkomen en de beschreven werkwijze bevestigen. Ook kalenders en kladkasboeken van de vethandel ondersteunen de facturenstroom. De rechtbank acht het verder van belang dat de maatschap geen ontvangsten voor slops heeft verantwoord in de jaarrekeningen en dat de partner die de administratie voerde dit heeft bevestigd. De stellingen van de erven zijn niet onderbouwd met bewijs. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en niet te hoog.
Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:5608 | 21-06-2026
door VDG accountants | 07-30-2026 | Inkomstenbelasting
Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 in aanmerking neemt. De erven van de vrouw stellen dat de vrouw geen aanmerkelijk belang had. Haar man is immers enig aandeelhouder van de holding-bv. De vrouw heeft haar enige aandeel in de holding op de dag van de oprichting overgedragen aan haar man. De wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen brengt daar volgens de erven geen verandering in.
Fictieve vervreemding
De rechtbank oordeelt dat de aandelen in de holding op het moment van het overlijden van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen. Hierdoor heeft de vrouw een aanmerkelijk belang in de holding. De overgang onder algemene titel bij overlijden wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt € 241.893.
Doorschuiffaciliteit
De erven stellen verder nog dat de doorschuiffaciliteit van toepassing is. De onderneming wordt door de man voortgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Omdat de holding bv en haar dochteronderneming sinds 2015 geen activiteiten verrichten en geen omzet behalen, is er geen sprake van een materiële onderneming. Ook van een medegerechtigdheid is geen sprake. De doorschuiffaciliteit kan daarom niet worden toegepast.
Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:6105 | 06-07-2026
door VDG accountants | 07-30-2026 | Inkomstenbelasting
Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing zijn. Het hof denkt daar anders over. Uit brieven en e-mails blijkt dat de dga in het jaar in kwestie namens de bv bezwaarschriften indiende, verzoeken deed en correspondeerde met de Belastingdienst. Die administratieve werkzaamheden zijn voldoende om gebruikelijk loon in aanmerking te nemen.
Schoonheidssalon via bv
De echtgenote van de dga runt een schoonheidssalon. Na haar persoonlijke faillissement in 2016 richt de dga twee vennootschappen op om de salon met behoud van personeel voort te zetten. De echtgenote mag van de curator geen bestuurder worden, dus neemt de dga die rol op zich. Volgens de echtgenote heeft hij uitsluitend een adviserende en coachende rol en verricht hij geen daadwerkelijke arbeid. In januari 2019 wordt de dga opgenomen in het ziekenhuis met hartproblemen en een longontsteking. Zijn huisarts verklaart dat het boezemfibrilleren wordt uitgelokt door stress en dat de dga zijn leefstijl moet aanpassen.
Aangifte zonder loon
De dga doet aangifte inkomstenbelasting 2019 naar een negatief inkomen van € 2.544. De inspecteur corrigeert de aangifte met een gebruikelijk loon van € 26.470, gelijk aan het loon van de meestverdienende werknemer: de echtgenote. Na bezwaar wordt het belastbaar inkomen vastgesteld op € 23.220. De dga gaat in beroep en stelt dat hij vanwege zijn gezondheid geen werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden die hij wel deed, waren volgens hem puur arbeidstherapeutisch.
Eigen correspondentie als bewijs
Uit het dossier blijkt dat de dga in 2019 als contactpersoon stond vermeld in de maandelijkse aangiften loonheffing. In maart 2019 verzocht hij namens de holding om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, stuurde hij informatie toe voor een hoorgesprek en bevestigde hij telefonisch gemaakte afspraken per e-mail. In april 2019 diende hij namens de bv bezwaar in tegen een aanslag vennootschapsbelasting en in november en december correspondeerde hij uitgebreid met de inspecteur over dat bezwaar.
Verklaringen onvoldoende
De verklaringen van de huisarts en de echtgenote veranderen dit niet. Deze verklaringen gaan over de gezondheid van de dga, maar nemen niet weg dat hij de administratieve werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De dga heeft niet bewezen dat een lager gebruikelijk loon op zijn plaats is. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat was waarmee geen loon kan worden genoten. Het hoger beroep is ongegrond.
Omvang niet getoetst
Opvallend is dat het hof niet toetst of de omvang van de werkzaamheden het gebruikelijk loon rechtvaardigt. De systematiek van de wet is hard: zodra vaststaat dat de dga enige arbeid verricht, geldt het standaardbedrag. Wil de dga een lager loon? Dan moet hij bewijzen dat dit gebruikelijk is voor vergelijkbare arbeid. Door alleen medische verklaringen over te leggen in plaats van concrete gegevens over wat vergelijkbaar administratief werk waard is, laat de dga die kans liggen. De uitkomst roept wel vragen op. Een handvol brieven en e-mails levert een belastbaar loon op van ruim € 26.000.
Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4305 | 22-06-2026
door VDG accountants | 07-23-2026 | Inkomstenbelasting
Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is beëindigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.
Arbeidskorting terugbetalen
Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting.
Eigenrisicodrager
De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als 'werknemer' wordt aangeduid en waarop 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking.
Geen recht op arbeidskorting
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 beëindigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' of 'werknemer', zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie 'ZW-uitkeringsgerechtigde'. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.
Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5042 | 25-06-2026