Geen arbeidskorting meer over bepaalde uitkeringen

Geen arbeidskorting meer over bepaalde uitkeringen

Vanaf 1 januari 2027 wijzigen de regels voor het samenvoegen van loon en socialezekerheidsuitkeringen bij de loonheffingen. Deze aanpassing heeft financiële gevolgen voor werknemers die een socialezekerheidsuitkering via hun werkgever ontvangen.

Aanpassing samenvoegbepaling

De wijziging houdt in dat, ondanks het samenvoegen van loon uit vroegere dienstbetrekking (socialezekerheidsuitkeringen) en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, de arbeidskorting niet langer van toepassing is op het uitkeringsdeel. Dit volgt op een oordeel van de Hoge Raad over ongelijke behandeling. Het gaat om de volgende uitkeringen in combinatie met loon uit werk of een aanvulling op een uitkering:

  • WAO-uitkering
  • WAZ-uitkering
  • Wajong-uitkering
  • IVA- en WGA-uitkeringen (WIA-uitkeringen)
  • Ziektewetuitkering, behalve als die voortkomt uit het huidige dienstverband
  • Wamil-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen)
  • BNO-uitkering (buitengewone natuurlijke omstandigheden)
  • WTV-uitkering (werktijdverkorting)
  • Toeslag op grond van de Toeslagenwet

Rekenvoorbeeld
Een werknemer (45 jaar) is in dienst en ontvangt maandelijks een WGA-uitkering van € 2.000 via de werkgever (loon uit vroegere dienstbetrekking). Daarnaast betaalt de werkgever € 750 resterend loon en een aanvulling van € 250 op de uitkering, samen € 1.000 (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking). Het totale loon bedraagt € 3.000. Loonheffingskorting wordt toegepast.

Gevolgen voor de inhouding

In 2026 past de werkgever de witte maandtabel toe op het totale bedrag van € 3.000. De inhouding bedraagt € 386,83, waarbij € 458,17 aan arbeidskorting is verrekend. Netto ontvangt de werknemer € 2.613,17.

Vanaf 2027 wijzigt de berekening. Eerst wordt de inhouding op het totale bedrag van € 3.000 bepaald met de groene maandtabel (€ 845,00). Vervolgens wordt de verrekende arbeidskorting op het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (€ 1.000) met de witte maandtabel vastgesteld (€ 83,67). De uiteindelijke inhouding is dan € 845,00 minus € 83,67, wat neerkomt op € 761,33. Netto ontvangt de werknemer € 2.238,67.

Financiële impact

Voor de werknemer uit het voorbeeld betekent dit een netto achteruitgang van € 374,50 per maand. Dit komt neer op ongeveer 18% van het uitkeringsbedrag. Dit nadeel kan oplopen tot maximaal 31% van het bedrag van de bruto-uitkering dat in het totale loon zit. Werkgevers wordt geadviseerd hun werknemers tijdig te informeren over deze aanpassing, zodat zij zich hierop kunnen voorbereiden.

Bron:Ministerie van Financiën | besluit | stcrt-2026-25913 | 18-08-2026
Personal training dga en de arbovrijstelling

Personal training dga en de arbovrijstelling

Een bv krijgt een naheffingsaanslag loonheffingen met belastingrente en een verzuimboete opgelegd over de jaren 2018 t/m 2020. De inspecteur corrigeert de kosten voor personal training en sportschoolabonnementen van de dga en zijn echtgenote. De dga vindt dat deze kosten onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De werkgever zorgt hiermee voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is volgens de wet.

Arbowet en gezagsverhouding

De dga is directeur en enig aandeelhouder van de bv en tevens de enige werknemer. De bv heeft een 51%-belang in een andere bv, waar de echtgenote van de dga in dienst is. De inspecteur stelt dat de dga een zelfstandige is en dat de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat er wel sprake is van een gezagsverhouding tussen de bv en de dga, waardoor de Arbowet van toepassing is. Het is niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding.

Gerichte vrijstelling en partner

De bv stelt dat de kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de dga onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De rechtbank volgt dit standpunt. Daarbij wijst zij erop dat sinds de wetswijziging het direct-verbandcriterium niet langer onderdeel uitmaakt van de vrijstelling voor arbovoorzieningen. Onder de omstandigheden van deze zaak kunnen de kosten van de dga daarom onder de gerichte vrijstelling vallen. De kosten voor de partner van de dga vallen hier echter niet onder, omdat zij geen werknemer van de bv is.

Werkplek

De inspecteur betwist ook dat de voorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De rechtbank stelt vast dat arbovoorzieningen ook buiten de werkplek onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen. Verder slaagt het standpunt van de inspecteur over de gebruikelijkheidstoets niet, omdat hij dit onvoldoende met data onderbouwt.

Wetswijziging vanaf 2022

Deze uitspraak heeft betrekking op de jaren 2018 t/m 2020. Per 2022 is de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen aangescherpt. Tot dat moment gold de vrijstelling voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeiden uit het arbobeleid van de werkgever. Vanaf 2022 geldt de vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met een verplichting van de werkgever op grond van de Arbowet. Hierdoor is het de vraag of de kosten van een sportschoolabonnement en personal training na 2021 nog onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4935 | 03-07-2026
Rechtbank adviseert klacht tegen UWV wegens te lage loonheffing

Rechtbank adviseert klacht tegen UWV wegens te lage loonheffing

Een man ontvangt een aanzienlijke nabetaling van het UWV. De rechtbank concludeert dat de man de nabetaling fiscaal heeft genoten in 2020. Dit komt doordat hij het geld pas in dat jaar in één keer heeft ontvangen en er eerder onzekerheid bestond over zijn recht op de uitkering. Volgens de wet is het genietingsmoment van loon ineens het moment van nabetalen. De rechtbank kan deze situatie niet veranderen, omdat dit een keuze van de wetgever is. De aanslag klopt dan ook.

Te weinig loonbelasting

De rechtbank heeft wel sterk het vermoeden dat het UWV veel te weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat er maar € 2.373 aan loonheffing drukt op een brutoloonbedrag van € 30.638. De rechtbank denkt dus dat er op de een of andere manier achter de schermen bij het UWV iets is misgegaan. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het UWV tijdens de procedure over het uitkeringsrecht wel gewoon elke maand (of elke vier weken) een loonstrook heeft gedraaid, maar steeds het nettobedrag dat onderaan die strook staat heeft achtergehouden in afwachting van de procedure. Toen die procedure was afgerond, zijn eenvoudigweg alle achterstallige bedragen bij elkaar opgeteld en heeft het UWV de opgetelde netto bedragen aan de man uitbetaald. De opgetelde brutobedragen en de opgetelde inhoudingen van loonheffing zijn vervolgens doorgegeven aan de Belastingdienst. Als dat klopt, zou dat verklaren waarom het UWV zo weinig loonheffing heeft ingehouden.

Klacht en middeling

De rechtbank vindt het te ver gaan om op dit punt zelf actie te ondernemen richting het UWV, maar de man zou dat wel kunnen doen, bijvoorbeeld door het klachtenformulier in te vullen. Daarbij kan de man dan de uitspraak van de rechtbank meesturen, zodat het UWV begrijpt waar de crux zit. Daarnaast zou een verzoek tot middeling tot een teruggaaf voor de man kunnen leiden. Daarmee wordt dan een deel van de pijn verzacht. De rechtbank heeft de stukken van de man tegelijk met de uitspraak naar de inspecteur gestuurd, zodat de inspecteur het verzoek om middeling met inachtneming van de informatie uit de uitspraak in behandeling kan nemen.

Bron:Rechtbank Midden-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2024:2177 | 05-06-2026
Geen inlenersaansprakelijkheid door slordig handelen ontvanger

Geen inlenersaansprakelijkheid door slordig handelen ontvanger

Een ontvanger die uitstel van betaling verleent, moet rekening houden met de belangen van derden die aansprakelijk kunnen worden gesteld. Hij mag niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij zou doen als er geen derden aansprakelijk gesteld kunnen worden. Doet hij dat toch, dan verliest hij de bevoegdheid om die derden aan te spreken. De bewijslast ligt bij de ontvanger. Hij moet aantonen dat niet meer zekerheid te krijgen was.

Betalingsproblemen vanaf het begin

Een transportbedrijf leent personeel in van een uitzendbureau. Het uitzendbureau gaat failliet met onbetaalde belastingschulden. Het uitzendbureau kende al sinds de oprichting in 2015 betalingsproblemen. In 2017 verleent de ontvanger uitstel van betaling voor ruim € 644.000 aan belastingschulden. Hij bedingt zekerheid via een pandrecht op vorderingen en spreekt een betalingsregeling af van € 75.000 per maand. Het uitzendbureau houdt zich aan de regeling tot mei 2018. Dan stoppen de betalingen. De ontvanger trekt het uitstel in en start de dwanginvordering.

Factoringovereenkomst nooit opgevraagd

In september 2018 legt de ontvanger beslag op de inventaris van het uitzendbureau. Die wordt later verkocht voor nog geen € 8.000. Er volgen gesprekken. Het uitzendbureau biedt een debiteurenlijst van € 4,5 miljoen als zekerheid aan. De ontvanger vraagt om de factoringovereenkomst, maar het uitzendbureau stuurt die niet. Toch accepteert de ontvanger in november 2018 een pandrecht op de vorderingen. Hij vertrouwt op de verklaring van het uitzendbureau dat de vorderingen niet al zijn bezwaard.

Pandrecht blijkt waardeloos

Het uitzendbureau komt de betaalafspraken niet na. Er volgt een kort geding. Het uitzendbureau zou € 6,9 miljoen betalen, maar dat blijft uit. De ontvanger maakt het pandrecht openbaar en vraagt het faillissement aan. In maart 2019 is het uitzendbureau failliet. Dan blijkt dat het uitzendbureau al in 2017 een groot deel van haar vorderingen had gecedeerd aan een Luxemburgse vennootschap. Het pandrecht was dus grotendeels waardeloos. In juli 2022 stelt de ontvanger het transportbedrijf aansprakelijk voor ruim € 109.000 aan onbetaalde loon- en omzetbelasting.

Ontvanger had moeten doorvragen

De ontvanger wist al in september 2018 van de factoringovereenkomst. Hij heeft die overeenkomst nooit ontvangen, maar toch een pandrecht geaccepteerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat hij nagaat of de verpander bevoegd is. De verwijzing naar de verklaring van het uitzendbureau is onvoldoende. De ontvanger heeft feitelijk uitstel van betaling verleend zonder adequate zekerheid.

Bevoegdheid tot aansprakelijkstelling verloren

De ontvanger maakt niet aannemelijk dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem verwacht mocht worden. Hij heeft ook niet aangetoond dat geen andere zekerheden te bedingen waren. Het hof oordeelt dat de ontvanger de bevoegdheid heeft verloren om het transportbedrijf aansprakelijk te stellen. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1076 | 21-04-2026
Kosten exact gelijk aan omzet? Hof gelooft het niet

Kosten exact gelijk aan omzet? Hof gelooft het niet

Een dga stelt dat zijn bv structureel verlies lijdt en dat daarom geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. Hof Amsterdam gelooft hem niet. De aangiften vennootschapsbelasting (vpb) tonen jarenlang kosten die nagenoeg exact gelijk zijn aan de omzet. Dat is zonder nadere toelichting onwaarschijnlijk. Bovendien ontbreken banksaldi en eigen vermogen op de balansen, terwijl de bv wel een bankrekening heeft.

Geen aangifte loonheffingen

De bv verhuurt onroerend goed. De dga is enig aandeelhouder en bestuurder. Hij verricht werkzaamheden voor de bv, waaronder het aangaan van huur- en koopovereenkomsten. De bv heeft zich niet aangemeld als inhoudingsplichtige en heeft geen aangiften loonheffingen ingediend. De dga ontvangt wel loon via een payrollbedrijf, maar die loonkosten zijn niet doorberekend aan de bv. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van € 13.210, gebaseerd op een gebruikelijk loon van € 28.125 over 2017 en 2018 gezamenlijk. Daarbij past de inspecteur een deeltijdfactor van 50% toe.

Beroep op structureel verlies

De bv stelt dat zij in de betreffende jaren geen winst heeft behaald en dat op die grond geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. De omzet schommelt volgens de bv al jaren rond de € 17.000. De inspecteur betwist dit. Uit de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 blijkt dat de omzet beduidend hoger is: tussen de € 25.000 en € 66.000 per jaar.

Onwaarschijnlijke kostenpatronen

Het hof oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een langdurige verliessituatie. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 zijn de kosten telkens nagenoeg gelijk aan de omzet. Dat is zonder adequate toelichting van de bv op z’n minst genomen onwaarschijnlijk. Bovendien bevatten de balansen geen banksaldi, terwijl vaststaat dat de bv wel een bankrekening heeft. Ook ontbreekt een eigen vermogen op de balansen. De bv heeft voor deze constateringen geen adequate verklaring gegeven.

Inspecteur vpb nam gebruikelijk loon als kosten

De inspecteur loonheffingen heeft telefonisch contact gehad met de inspecteur vpb. Die verklaarde dat bij de aanslagen vpb over 2019, 2020 en 2021 de door de bv opgevoerde kosten afdoende onderbouwing missen. De inspecteur heeft daarom in elk van die jaren een gebruikelijk loon als kosten in aanmerking genomen. Daarvan uitgaande is een structureel verlies voor die jaren niet aannemelijk geworden.

Onderbouw de verliessituatie

Deze uitspraak laat zien dat een beroep op een structurele verliessituatie om het gebruikelijk loon te verlagen een goede onderbouwing vereist. Aangiften waarin de kosten telkens exact gelijk zijn aan de omzet roepen vragen op. Incomplete balansen versterken het wantrouwen. 

Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2025:3817 | 20-10-2025
Schenking aandelen aan trouwe werknemer is geen loon

Schenking aandelen aan trouwe werknemer is geen loon

Een werknemer krijgt na jaren trouwe dienst alle aandelen van zijn werkgever geschonken. De aandelen zijn € 7,8 miljoen waard. De inspecteur merkt dit bedrag aan als loon uit dienstbetrekking. De werknemer heeft immers geen familieband met de schenker en dankt de schenking aan zijn bewezen kwaliteiten als directeur. De werknemer stelt dat sprake is van een zuivere schenking in het kader van bedrijfsopvolging. Vormen de aandelen loon?

Van junior tot directeur tot eigenaar

Een man begint in 2000 als junior bij een concern en werkt zich op tot directeur. Sinds 2007 is hij onafgebroken in dienst. De enig aandeelhouder heeft geen opvolger binnen de familie en wil dat het meer dan honderdjarige familiebedrijf zijn karakter behoudt. Hij schenkt in 2022 alle aandelen aan de directeur. De waarde bedraagt € 7,8 miljoen. De schenking bevat een doorgeefverplichting: als de directeur geen bestuurder meer is, moet hij de aandelen om niet overdragen aan zijn opvolger(s). De inspecteur belast het volledige bedrag als loon in box 1.

Beloning of bedrijfsopvolging?

De inspecteur stelt dat een causaal verband bestaat tussen de schenking en de dienstbetrekking. De werknemer kreeg de aandelen omdat hij zich als werknemer had bewezen. Zonder die dienstbetrekking had hij de aandelen nooit gekregen. Bovendien ontbreekt een familieband of andere persoonlijke relatie met de schenker. De werknemer betoogt dat sprake is van een reële bedrijfsopvolging. De schenker wilde de continuïteit van de onderneming waarborgen en voorkomen dat het bedrijf ten prooi zou vallen aan grotere spelers.

Causaal verband is niet genoeg

De rechtbank stelt voorop dat de aandelen behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever. De schenker is niet gecompenseerd voor zijn verarming. Een causaal verband tussen voordeel en dienstbetrekking betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel heeft verstrekt. Uit het getuigenverhoor blijkt dat de schenker de aandelen uit eigen beweging schonk, vanuit zijn diepgewortelde wens dat de onderneming haar karakter zou behouden. De schenker had daarbij vooral zijn aandeelhouderspet op, niet zijn werkgeverspet. Bovendien kreeg de werknemer de aandelen niet vrij in handen: hij moet ze doorgeven aan zijn opvolgers. De doorgeefverplichting benadrukt hier dat de continuïteit van de onderneming vooropstaat, niet de beloning van de werknemer. Van loon van derden of fooien is evenmin sprake, omdat de aandelen geen vergoeding vormen voor verrichte werkzaamheden.

Bron:Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:213 | 28-01-2026
Voetbalkaartjes voor werknemers zijn loon in natura

Voetbalkaartjes voor werknemers zijn loon in natura

Een schoonmaakbedrijf beschikt over twee seizoenkaarten voor Ajax en koopt nog 22 kaarten voor de wedstrijd Ajax-Juventus. De kaarten worden gebruikt door werknemers en de aandeelhouder. Het bedrijf stelt dat de kaarten dienen voor acquisitie en relatiebeheer. De inspecteur legt een naheffingsaanslag loonheffingen op. Het bedrijf heeft namelijk niet geadministreerd wie de wedstrijden heeft bezocht en met welk doel. Is de naheffing terecht?

Zakelijk?

Het bedrijf stelt dat de kaarten acquisitiemiddelen zijn. Potentiële klanten worden meegenomen naar wedstrijden of krijgen kaarten ter beschikking gesteld. Tijdens wedstrijden en evenementen in het stadion doet het bedrijf nieuwe contacten op die leiden tot omzet. De schoonmaakbranche is een competitieve markt waarin contracten tot stand komen op basis van persoonlijke gunning en netwerken. Volgens het bedrijf heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een voordeel in natura.

Privé

De rechtbank oordeelt dat het bezoeken van voetbalwedstrijden in hoge mate een recreatief karakter heeft. Werknemers die een wedstrijd bezoeken, doen dat in beginsel uit eigen persoonlijke behoeftenbevrediging. Het is vervolgens aan het bedrijf om het zakelijke karakter van de verstrekking aannemelijk te maken. Daarin slaagt het bedrijf niet. Het bedrijf heeft niet inzichtelijk gemaakt wie de kaarten heeft gebruikt en of dat een zakelijk of privédoel had. Dat tijdens een wedstrijdbezoek een contact kan worden opgedaan dat uitgroeit tot een zakelijk contact, neemt het consumptieve karakter van het bezoek niet weg. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2025:5000 | 25-06-2025
Hof akkoord met gebruikelijk loon van € 7.500

Hof akkoord met gebruikelijk loon van € 7.500

Een handelaar in edelmetalen, met slechts € 12.721 aan liquide middelen, moet volgens de Belastingdienst toch € 25.000 loon krijgen. Dat zou het directe einde betekenen van de onderneming. De rechtbank en het hof stellen het gebruikelijk loon vast op € 7.500. Deze uitspraak verduidelijkt wanneer afwijking van het wettelijke minimumloon mogelijk is. Een incidenteel verlies volstaat niet, maar als loonbetaling de onderneming direct de das omdoet, wel. De rechter kijkt naar het complete plaatje: liquiditeiten, voorraden, bedrijfsmiddelen en toekomstperspectief.

Edelmetaalhandel in zwaar weer

De dga is de enige werknemer. De dga dient aan het einde van 2022 een aangifte loonbelasting in en geeft daarbij een belastbaar loon van € 48.000 op. Omdat de betaling uitblijft, legt de inspecteur een naheffingsaanslag op voor dat bedrag. Enkele maanden later maakt de dga bezwaar. Hij stelt dat de aangifte is gebaseerd op onjuiste cijfers en vraagt om herziening van de naheffingsaanslag. De inspecteur komt de dga gedeeltelijk tegemoet en verlaagt het belastbare loon naar € 25.000. De dga gaat hiertegen in beroep.

In 2019 en 2020 maakt de bv bescheiden winsten. In 2021 verhoogt coronasteun de winst naar € 26.187. In 2022 volgt een verlies van € 5.664. Als in 2023 het verlies verergert tot € 23.433, besluit de dga de onderneming te staken. Hij zegt de huur van het bedrijfspand op en bereidt de beëindiging van de activiteiten voor. Het eigen vermogen daalt naar € 40.731, met slechts € 12.721 aan liquide middelen. Uitbetaling van € 25.000 zou de directe ondergang van de onderneming betekenen. Voorraden en bedrijfsmiddelen moeten dan worden verkocht om het salaris te betalen. De onderneming kan dan niet meer functioneren.

Hof: continuïteit gaat voor

De rechtbank stelt het gebruikelijke loon vast op € 7.500. Het hof bevestigt dat. De wet biedt deze ruimte bij structurele verliezen die de continuïteit bedreigen. Niet alleen liquiditeiten tellen, maar de hele financiële positie. De dga heeft jarenlang geen salaris opgenomen om vermogen op te bouwen. Dit zit vast in bedrijfsnoodzakelijke activa. Het is cruciaal dat de dga geen geld heeft onttrokken via andere routes. Het opgebouwde vermogen zit volledig in de onderneming. De inspecteur mag zijn ogen niet sluiten voor het feit dat de onderneming in 2023 verder verlies leed en in 2025 is gestaakt.

Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2591 | 30-09-2025
Gedeeltelijke verlenging zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid

Gedeeltelijke verlenging zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid

Bij de behandeling van het Belastingplan zijn verschillende moties aangenomen, gericht op de verlenging van de zachte landing voor de handhaving op arbeidsrelaties. Naar aanleiding hiervan heeft het kabinet besloten de zachte landing voor het handhavingsbeleid rond schijnzelfstandigheid gedeeltelijk te verlengen in 2026, maar niet volledig. Een volledige verlenging van de zachte landing zou volgens het kabinet ongewenste effecten hebben, zoals het ontmoedigen van organisaties die zich al hebben aangepast aan de regels en het vertragen van de vooruitgang op dit dossier.

Dit betekent dat in 2026 de volgende zaken wijzigen ten opzichte van 2025:

  • Er kunnen weer vergrijpboetes worden opgelegd.
  • Bij een boekenonderzoek kan de Belastingdienst kiezen voor een onderzoek over een kalenderjaar of een recent aangiftetijdvak.

De Belastingdienst blijft in 2026 de mogelijkheid van naheffingen voor de periode tot 1 januari 2025 behouden. De Belastingdienst blijft, ook in 2026, starten met een bedrijfsbezoek. De inzet daarbij is “het goede gesprek” en de mogelijkheid voor organisaties om hun bedrijfsvoering te verbeteren. Er zullen in 2026 nog geen verzuimboetes worden opgelegd. Dit betekent dat, anders dan in 2025, vanaf 2026 wel vergrijpboetes kunnen worden opgelegd. Het kabinet vindt dit belangrijk, omdat deze boetes worden opgelegd in het geval van opzet of grove schuld bij (evidente) schijnzelfstandigheid. Dit geldt voor zowel werkgevenden als werkenden. 

Bron:Ministerie van Financiën | besluit | 18-12-2025
Overgangstermijn youngtimerregeling voor auto’s die dit jaar 15 zijn geworden

Overgangstermijn youngtimerregeling voor auto’s die dit jaar 15 zijn geworden

Voor auto’s die in 2025 15 jaar oud worden, geldt de huidige ‘youngtimerregeling’. Dit betekent dat de bijtelling wordt berekend op basis van 35% van de waarde in het economische verkeer van de auto. Dit blijft ongewijzigd voor 2025. Vanaf 2026 verandert de situatie. Voor deze auto’s geldt dan een tijdelijke bijtelling van 25% of 22% van de cataloguswaarde, totdat de auto 16 jaar oud wordt. Zodra de auto in 2026 16 jaar oud wordt, kan opnieuw gebruik worden gemaakt van de youngtimerregeling.

Om deze gevolgen te verzachten, heeft het kabinet besloten tot een overgangsregeling via een beleidsbesluit. Met deze regeling mogen belastingplichtigen ervoor kiezen om in 2026 toch de huidige youngtimerregeling te blijven toepassen. Dit biedt de betreffende gebruikers vooral handelingsruimte en voorkomt dat zij plotseling moeten omgaan met verhoogde kosten. Zo wordt recht gedaan aan het oorspronkelijke idee van een anticipatiejaar voor alle betrokkenen. Het besluit zal met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 in werking treden en uiterlijk op 1 januari 2027 worden omgezet in wetgeving.

Vanaf 1 januari 2027 wordt de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling definitief verhoogd naar 25 jaar. Dit betekent dat vanaf dat moment alleen auto’s die 25 jaar of ouder zijn in aanmerking komen voor de youngtimerregeling.

Bron:Ministerie van Financiën | besluit | 2025-0000614512 | 15-12-2025
Loon op loonlijst is belast, ook zonder uitbetaling

Loon op loonlijst is belast, ook zonder uitbetaling

Een vader helpt zijn zoon met de opstart van diens bv. Hij staat op de loonlijst en de bv houdt loonheffing in. Echter, de vader ontvangt geen geld. De vader ontvangt alleen AOW en een klein pensioen. In zijn aangifte probeert de vader het loon weg te strepen. Hij vermeldt het loon, maar trekt datzelfde bedrag weer af als negatief resultaat uit overige werkzaamheden (row). Zijn redenering is dat hij het geld niet ontvangen heeft, waardoor dit geld niet voor hem telt.

De inspecteur schrapt het negatieve row en stelt de aanslag vast. Dan slaat de vlam in de pan, aangezien het inkomen van de vader te hoog is voor het ontvangen van toeslagen. Hij moet € 8.000 terugbetalen. De vader gaat in bezwaar. Hij stelt dat hij geen werkzaamheden heeft verricht. Het loon is hierdoor niet vorderbaar en ook niet inbaar. De accountant suggereert dat de vader afstand doet van zijn recht op loonbetaling, waardoor de vordering zal verdwijnen. De bv wil meewerken en een gecorrigeerde aangifte indienen, maar de inspecteur weigert. De belastbare feiten hebben zich voorgedaan.

Waarom faalt de constructie?

Het hof gaat in deze zaak systematisch te werk. Er bestaat een arbeidsovereenkomst en daarnaast heeft de vader een arbeidscontract. Er is verklaard dat de vader de onderneming feitelijk exploiteert. In het bezwaarschrift schrijft de vader dat hij zijn zoon helpt met de opbouw. Later probeert hij dat af te zwakken, maar hij staat op de loonlijst. Er is sprake van een dienstbetrekking waarvoor hij een arbeidsbeloning ontvangt. De bv heeft het loon in de loonaangiften opgenomen en loonheffing afgedragen. Cruciaal is dat de bv personeelskosten ten laste van de winst heeft gebracht. Uit de aanslag vennootschapsbelasting en de herziene aangifte blijkt dat het betwiste loon hier onderdeel van is.

Vorderbaar en inbaar

Het cruciale punt in deze zaak is of het loon vorderbaar of inbaar is. Hiervan is sprake, aangezien de vader op dit punt geen tegenargumenten heeft aangevoerd. Zijn enige argument is dat hij het geld niet heeft ontvangen vanwege zijn toeslagen, maar juridisch gezien doet dit er niet toe. Het loon staat op de loonlijst, de bv heeft het als kostenpost behandeld en de loonheffing is afgedragen. Hierdoor is het loon belast en het maakt daarbij niet uit dat de vader het geld nooit heeft ontvangen. Loon dat op de loonlijst staat en waarover loonheffing is afgedragen, is belast. 

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:2783 | 07-10-2025
Niet langer uitkeren van pensioen leidt tot belaste aanspraak

Niet langer uitkeren van pensioen leidt tot belaste aanspraak

Een dga krijgt na twee jaar pensioenuitkeringen ineens 'het besef' dat uitkeren niet nodig was. Er volgt een naheffing van ruim een miljoen euro. De dga bereikte in juni 2015 de pensioengerechtigde leeftijd. Conform de pensioenbrief gaat zijn ouderdomspensioen van € 53.075 per jaar in. In 2015 wordt keurig aangifte gedaan én loonheffing afgedragen. In 2016 doet de bv wel aangifte, maar vergeet de loonheffing af te dragen. In het jaar 2017 doet de bv plotseling nihilaangiften. De verklaring is opmerkelijk: 'Vanaf 2017 is het besef ingedaald dat er geen pensioen uitgekeerd hoeft te worden.' Een besef dat de Belastingdienst niet deelt.

Onder dwang?

In de procedure beweert de bv dat de pensioenuitkeringen in 2015 en 2016 onder dwang van controlerende ambtenaren zijn gebeurd. Hij kan dit alleen niet bewijzen. Het hof oordeelt dat de inspecteur geen stukken kan overleggen die niet bestaan. Bovendien heeft de bv deze dwang nooit eerder aangevoerd, ook niet in de eerdere procedure over 2016.

Verrekenen met rekening-courant

De bv beweert onvoldoende middelen te hebben om het pensioen uit te betalen. Maar de dga heeft een rekening-courantschuld van € 276.747 bij de bv. Het pensioen kan simpelweg worden verrekend met deze schuld. De wettelijke beperkingen voor verrekening met regulier loon gelden niet voor pensioenuitkeringen.

Fiscaal onzuiver

Door bewust te stoppen met de pensioenuitkeringen wordt de regeling fiscaal onzuiver. De gevolgen zijn dat de volledige waarde van de pensioenaanspraak (€ 1,67 miljoen) wordt belast. Dit leidt tot een naheffing van € 1,15 miljoen, inclusief revisierente. De bv heeft bewust het risico genomen dat, als geen dwang aannemelijk kan worden gemaakt, het pensioen fiscaal onzuiver zou worden. Dat risico materialiseert zich nu in volle omvang.

Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:6243 | 06-10-2025
Bijtelling privégebruik voor drie auto’s

Bijtelling privégebruik voor drie auto’s

Een auto die een werkgever ter beschikking stelt aan een werknemer wordt altijd geacht ook voor privédoeleinden te worden gebruikt, tenzij overtuigend wordt aangetoond dat minder dan 500 kilometer per jaar privé met de auto wordt gereden. Wie dat wil aantonen, moet een betrouwbare rittenadministratie bijhouden. Een achteraf opgestelde of meerdere keren aangepaste rittenadministratie is volgens de rechter onvoldoende om de bijtelling te voorkomen. Bij gezinnen met meerdere rijbewijzen telt de Belastingdienst minimaal de twee duurste auto's bij.

Advocaat met zeven auto's

Een advocaat werkt via zijn eigen bv. Tussen 2013 en 2019 heeft zijn bv zeven auto's in eigendom of in lease gehad: een Audi A8 (2013-2015), een Mercedes Benz (2013-2017), een Citroën DS (2012-2019), een BMW cabrio (2015-2019), een Fiat 500 (2015-2019), een Volvo C70 (2016-2019) en een BMW i3 (vanaf 2019). De cataloguswaarde van deze auto’s loopt uiteen van € 17.994 tot € 136.412. Alleen voor de Citroën heeft de bv een bijtelling aangegeven. De advocaat is fiscaal jurist en kent de regels. Hij houdt bewust een blackbox bij, wat aantoont dat hij bekend is met de 500-kilometerregeling. Toch geeft hij slechts voor één goedkope auto een bijtelling aan, terwijl het gezin over zeven auto's beschikt. De Belastingdienst start in 2018 een boekenonderzoek. Volgens het Handboek loonheffing worden bij een gezin met twee rijbewijzen in beginsel de twee duurste auto's bijgeteld. De inspecteur telt voor 2013-2014 twee auto's bij en voor 2015-2019 zelfs drie auto's, omdat ook een schoonzus een auto gebruikt.

Meerdere keren aangepaste rittenadministraties

De advocaat legt rittenadministraties over om aan te tonen dat met de auto's minder dan 500 kilometer per jaar privé wordt gereden. Voor de Audi en BMW bestaat gedeeltelijk een digitale blackbox-registratie, maar deze wordt alleen in pdf overgelegd. Tegelijk levert hij een ordner met handmatige aanvullingen aan. Later volgen opnieuw gewijzigde versies. Voor andere auto's worden de rittenadministraties volledig achteraf opgemaakt. 

Gebreken en ongeloofwaardige verklaringen

De Belastingdienst constateert diverse gebreken: de tijdstippen van ritten ontbreken en verschillende verklaringen komen niet overeen met de via derdenonderzoek verkregen agenda. Tot slot worden met meerdere auto's snelheidsovertredingen begaan op plaatsen waar de advocaat niet aanwezig zou zijn geweest. De advocaat verklaart dat hij in 2015-2016 twee keer per dag naar zijn kantoor in de Zuidas reed, terwijl hij dat kantoor pas medio november 2016 kon gebruiken. Ook beweert hij dat zijn echtgenote twee keer per dag post bezorgde, terwijl hij secretariële ondersteuning had. De rechtbank noemt deze verklaringen ongeloofwaardig. Een rittenadministratie moet regelmatig worden bijgehouden. Achteraf opgestelde of meerdere keren aangepaste administraties hebben veel minder bewijskracht. De grens van 500 kilometer is zo laag dat zeer nauwkeurige registratie nodig is.

Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2025:7743 | 16-09-2025
Vanaf 2027 extra belasting op fossiele brandstofauto van de zaak

Vanaf 2027 extra belasting op fossiele brandstofauto van de zaak

Werkgevers die een auto van de zaak beschikbaar stellen aan werknemers, krijgen vanaf 1 januari 2027 te maken met een nieuwe fiscale maatregel. Het gaat om een zogenoemde pseudo-eindheffing van 12% op de cataloguswaarde van personenauto’s die op fossiele brandstof rijden en (mede) privé worden gebruikt. De maatregel is onderdeel van het klimaatbeleid en moet de overstap naar volledig elektrische mobiliteit versnellen. Waar de bijtelling terechtkomt bij de werknemer, treft deze extra belasting juist de werkgever. Daarmee wordt zakelijk fossiel rijden financieel een stuk minder aantrekkelijk.

De pseudo-eindheffing geldt alleen voor personenauto’s met CO₂-uitstoot, zoals benzine-, diesel- en hybride auto’s. Elektrische auto’s zijn dus uitgezonderd. Ook motoren en bestelauto’s vallen buiten de regeling. Een voorwaarde voor toepassing van de regel is dat sprake is van een werkgever-werknemerrelatie. In de praktijk betekent dit dat ook dga’s met een auto van de zaak onder deze regeling vallen.

De heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde, ongeacht het daadwerkelijke privégebruik. Woon-werkverkeer telt dus ook mee. De belasting wordt jaarlijks berekend en komt volledig voor rekening van de werkgever. Voor auto’s ouder dan 25 jaar wordt gekeken naar de waarde in het economisch verkeer. De werknemer merkt geen verschil wat betreft zijn loonstrook, maar de werkgever des te meer.

Voor auto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt een overgangsregeling. Tot 17 september 2030 is dan nog geen pseudo-eindheffing verschuldigd. Voorgaande termijn lijkt ver weg, maar komt sneller dichterbij dan men denkt. De vrijstelling zit op de auto, niet op de werknemer. Een wisseling van bestuurder doet er niet toe, zolang het om dezelfde auto gaat.
Wat betekent dit voor de praktijk? Denk aan:

  • heroverweging van de autoregeling;
  • tijdige keuze bij leaseverlengingen; en
  • meer aandacht voor de contractuele formulering van ‘terbeschikkingstelling’.

En vooral: helderheid voor medewerkers.

Voor veel werkgevers is dit geen kleine wijziging. Zeker in branches waar elektrische alternatieven nog niet altijd praktisch zijn, zal deze maatregel vragen oproepen. Toch ligt er ook een kans. Wie zich nu goed voorbereidt, voorkomt verrassingen achteraf.

Bron:Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 15-09-2025
Bijtelling auto ondanks verbod privégebruik in contract

Bijtelling auto ondanks verbod privégebruik in contract

Een kinderdagverblijf gebruikt vier auto's voor het ophalen en brengen van kinderen en het doen van boodschappen. Werknemers moeten bij indiensttreding een autoverklaring ondertekenen waarin staat dat privégebruik uitdrukkelijk verboden is. Daarnaast moeten de medewerkers de autosleutel na gebruik weer terugleggen in een sleutelkastje. De Belastingdienst acht desondanks dat sprake is van terbeschikkingstelling aan de locatiemanager, die tevens indirect bestuurder is. Zij beschikt over de autosleutels en kan zowel tijdens als buiten werktijden gebruikmaken van de auto’s. Het verbod op privégebruik in haar contract doet daar niets aan af. Bovendien is geen rittenadministratie bijgehouden, waardoor niet bewezen kan worden dat minder dan 500 kilometer privé per jaar gereden werd. Zowel de rechtbank als het gerechtshof oordelen dat de naheffing terecht is opgelegd. Echter vernietigt de rechtbank de vergrijpboeten, omdat grove schuld niet overtuigend is aangetoond. Het gerechtshof bevestigt deze uitspraak volledig.

Auto ter beschikking = altijd belasting

Het hof stelt vast dat onder terbeschikkingstelling wordt verstaan dat een werknemer voor kortere of langere tijd de feitelijke macht over een auto uitoefent. Cruciaal is of een werknemer kan bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakt. Het gaat dus niet om de doeleinden waarvoor de auto uiteindelijk wordt gebruikt, maar om de feitelijke beschikkingsmacht. De locatiemanager kon bepalen op welke wijze zij van de auto’s gebruikmaakte. Bovendien beschikte zij over de autosleutels, ook al werden deze door een andere medewerker beheerd. Het hof oordeelt dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een situatie waarbij een werknemer de auto slechts mag besturen voor specifieke opdrachten waarbij de feitelijke beschikkingsmacht bij de werkgever blijft.

Verbod privégebruik niet relevant

Het verbod op privégebruik in arbeidsovereenkomsten en autoverklaringen leidt niet tot een ander oordeel. Dit verbod is namelijk niet relevant voor de vraag of sprake is van terbeschikkingstelling. Echter is dit verbod wel relevant voor het bewijs dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer privé per jaar wordt gebruikt. Eenmaal vastgesteld dat sprake is van terbeschikkingstelling, geldt het wettelijk vermoeden dat de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking staat.

De 500-kilometerregel

Op het kinderdagverblijf rust vervolgens een verzwaarde bewijslast om te bewijzen dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer privé per jaar gebruikt wordt. Het hof oordeelt dat hieraan niet is voldaan. Het enkele verbod op privégebruik in contracten toont niet aan dat de auto ook daadwerkelijk niet voor privéritten gebruikt wordt. Ook het gebruik van een sleutelkastje volstaat niet, omdat geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat het gebruik daarvan gecontroleerd wordt.

Waarom geen boete?

Voor de vergrijpboeten geldt een zwaardere bewijslast: grove schuld moet overtuigend worden aangetoond. Het hof oordeelt dat niet aan de zwaardere bewijslast is voldaan. Belanghebbende liet werknemers een autoverklaring ondertekenen, legde regels vast in het personeelshandboek en zorgde voor beheer via een sleutelkastje. De locatiemanager verklaarde geloofwaardig dat zij voorzichtig was als minderheidsaandeelhouder en niet wilde dat collega's zouden denken dat zij misbruik maakte van haar positie. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van grove schuld.

Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:1648 | 11-08-2025